© Cor van Gelderen en Wouter van der Tol

Gebruik de natuur als inspiratiebron voor je ontwerp

Tijdens de afgelopen editie van Meesters in de Tuin in Cuijk (NL) gaf tuinontwerper en beplantingsspecialist Cor van Gelderen in het kennistheater van CG Concept een boeiende uiteenzetting over ‘hypernatuur’. Van Gelderen is een bekend figuur in de groensector, met een uitgesproken rock-’n-rollgehalte en bovenal een encyclopedische plantenkennis die hij opbouwde vanuit zijn jarenlange ervaring als kweker.

In zijn sessie, en in het gelijknamige boek Hypernatuur: planten met oog op de toekomst, legt hij uit dat je voor een biodivers en duurzaam beplantingsplan niet telkens opnieuw het wiel hoeft uit te vinden. De natuur reikt immers voor elke tuin en elke situatie al een pasklare oplossing aan.


“De term ‘hypernatuur’ is eigenlijk per toeval ontstaan”, vertelt van Gelderen. “Ik zat met mijn uitgever te praten over de titel van mijn boek, maar we kwamen nergens op. Toen vroeg ze: leg nog eens precies uit waar het boek over gaat. Ik zei: het gaat erom dat je de tuin kunt beschouwen als een plek waar je een intensieve, verdichte vorm van natuur brengt, omdat je nu eenmaal met een beperkte ruimte werkt. Een ecosysteem waarin alles op elkaar inspeelt. Een soort hypernatuur. En zodoende werd dat uiteindelijk de titel van het boek.”

Hypernatuur, hypereenvoudig

Als groenontwerpers en -professionals grijpen we al te vaak terug naar technische oplossingen. Men kan veel tijd en energie steken in het ontwikkelen en toepassen van zaken zoals (staal)constructies, grondvervanging met vruchtbare teelaarde, de installatie van druppelbevloeiing … Maar is dat wel nodig, als de natuur zelf al oplossingen heeft uitgedacht? Is het niet veel eenvoudiger te kijken naar wat de natuur ons aanreikt? Door het concept van hypernatuur toe te passen, wordt het werk van de tuinprofessional eenvoudiger.

“Als je naar de natuur kijkt, zie je dat planten kunnen overleven in de meest uiteenlopende en soms zelfs bizarre omstandigheden. Zoute zeewind, stikdonkere plekken, op vijfduizend meter hoogte of midden in een woestijn … overal groeien er planten. Er bestaat eigenlijk geen enkele omstandigheid die je in een tuin tegenkomt waarvoor géén geschikte plant te vinden is. Maak je gebruik van de manier waarop de natuur planten ordent, dan wordt ontwerpen een stuk gemakkelijker. De natuur werkt namelijk met een bijzonder efficiënt systeem. Elke plant zoekt vanzelf zijn plek”, licht Cor toe.

Esdoorntuin bij Plantentuin Esveld. © Cor van Gelderen en Wouter van der Tol

“Als de ene plant vroeg bloeit, bloeit de andere gewoon veertien dagen later. Als de ene een boom is, dan denkt de andere: ik klim er wel in. Heeft een plant grote bladeren, dan staan er nog anderen graag in de schaduw ervan … Zo vult elke plant zijn eigen tijd en ruimte in. En pas als alle mogelijkheden benut zijn, is de natuur in balans. Dan ontstaat er pas ruimte voor iets nieuws wanneer een plant omwaait of doodgaat. Breng je dat principe over op een tuin, dan krijg je een plantensamenstelling die nauwelijks onderhoud vraagt. Nog al te vaak horen we dat eindklanten kiezen voor veel verharding in de tuin omdat ze tegen het onderhoud opzien. Maar als je beplanting slim aanpakt, vraagt een tuin veel minder werk. Gewoon gaan zitten en genieten. Dat is toch waar het om draait.”

De natuur geeft het voorbeeld

Om het concept van hypernatuur toe te passen, moet je natuurlijk wel over de nodige plantenkennis bezitten. Volgens van Gelderen kan het vergaren van die kennis relatief vlot gaan: “Ga gewoon naar buiten en kijk rond in bestaande tuinen. Observeer wat werkt. Soms kom je een plantencombinatie tegen die bijzonder goed samengaat. Dan kan je jezelf afvragen waarom dit zo goed functioneert? Als ontwerper, hovenier of kweker zou je een spontane drang moeten hebben om te observeren en te ontdekken. Een nieuwsgierigheid die je dingen leert die boekenkennis overstijgen. Als je nieuwsgierigheid de overhand neemt, dan vergaar je als vanzelf al die kennis.”

Parthenocissus henryana, wilde wingerd. © Cor van Gelderen en Wouter van der Tol

Verder is het belangrijk om naar de specifieke uitdagingen van de locatie te kijken. “Stel dat je een tuin hebt vlakbij de kust, in Knokke of Scheveningen bijvoorbeeld, dan krijg je te maken met zoute wind en een voedselarme zandgrond. Je kunt hiervoor technische oplossingen bedenken, zoals het plaatsen van een schutting om de wind tegen te houden, de grond aanpakken met bodemverbeteraars of schaduwdoeken ophangen om wat koelte te creëren. Maar er zijn ook planten die van nature in zulke omstandigheden groeien. Het interessante is dat zulke omstandigheden niet alleen hier voorkomen, maar ook aan de kusten van Italië of Californië. Een plant zoals olijfwilg (Elaeagnus ebbingei) groeit dan wel niet in onze duinen, maar had er wel zomaar kunnen staan. Hetzelfde geldt voor Pittosporum, dat voorkomt in Nieuw-Zeeland. Of wat dacht je van Crocosmia uit Zuid-Afrika, die hier aan de zee ook prima zou kunnen gedijen. Voor elke plek is er een geschikte plant.”

“Wat de biodiversiteit betreft, hoeven we het zeker niet alleen bij inheemse planten te houden”, gaat Cor verder. “Zo bloeien Aziatische hortensia’s (Hydrangea aspera ‘Taiwan Pink’) pas laat in de zomer en aan het begin van de herfst. Op dat moment zijn er voor heel wat insectensoorten nog maar weinig nectarbronnen te vinden. Zet je een Aziatische hortensia in de tuin, dan merk je meteen hoeveel gezoem er rond die plant hangt. De aantrekkingskracht is enorm.”

Het licht dat valt door een Japanse esdoorn in Jardin Le Vasterival. © Cor van Gelderen en Wouter van der Tol

“Er zijn natuurlijk ook soortspecifieke insecten die alleen op dat ene zandblauwtje willen zitten. Of de Knautia-vlinder (dambordje, Melanargia galathea), die uitsluitend op Knautia’s vliegt. Maar heel veel insecten zijn juist generalisten. Het maakt voor hen niet uit of het een Nederlandse, Franse of Chinese maaltijd is. Als er maar een maaltijd is.”

“Onlangs sprak ik iemand die alleen inheemse planten in zijn tuin wilde, omdat hij specifiek de Knautia-vlinder wilde aantrekken. Een nobel idee, maar in dat geval moet je je afvragen of dat ook zinvol is. Komen die soortspecifieke insecten daar in de buurt voor of niet? Soortspecifieke insecten leven vaak maar in beperkte arealen. Ze gaan dus niet zomaar twintig kilometer verderop in jouw tuin op zoek naar voedsel. Meestal is het beter om de generalistische insecten te helpen.”

Hedera helix ‘Goldheart’, klimop © Cor van Gelderen en Wouter van der Tol

Inheems vs. exoten

Als we tuinen beter willen wapenen tegen de klimaatsverandering, zullen we vaker naar planten van buiten onze regio moeten kijken. Het is een discussie die veel stof doet opwaaien. “Er zijn ecologen die vrezen voor floravervuiling door het gebruik van invasieve exoten. Dat is ergens terecht, want je wilt niet dat zulke soorten de overhand krijgen”, zegt van Gelderen daarover. “Maar de tuin is geen natuur. De natuur is natuur. De tuin is een kunstmatig milieu, waarin je bewust planten kiest die het best passen bij de omstandigheden. En soms zijn er planten die niet van nature uit België of Nederland komen, die daar veel beter in slagen dan soorten die hier wel inheems zijn. En wat dan nog!?”

Crocosmia ‘Lucifer’ © Cor van Gelderen en Wouter van der Tol

“Ik ben het er helemaal mee eens dat invasieve soorten problematisch kunnen zijn”, nuanceert hij. “Toch is het goed om met een open blik te blijven kijken en nieuwe mogelijkheden te zien. We zullen hier sowieso wat flexibeler in moeten worden. Door de klimaatverandering verplaatsen sommige planten en dieren zich. Neem de kolibrievlinder, deze kwam vroeger alleen in Frankrijk voor, maar nu duikt het beestje steeds vaker bij ons op. Deze soort migreert heel snel naar het noorden, terwijl de planten waar hij zijn nectar vandaan haalt zich veel trager verplaatsen. Wij kunnen die migratie ondersteunen door planten te introduceren. Plantenpopulaties zijn bovendien altijd in beweging geweest. Als er een zomerwervelwindje opsteekt, kan zaad honderden kilometers verderop terechtkomen. Of neem een vogel die in Duitsland een zaadje opeet dat pas na een vlucht naar Scheveningen weer wordt achtergelaten. Op dat vlak zijn landsgrenzen fictief.”

Volgens van Gelderen kan je het gebruik van exoten in drie categorieën opdelen. “Eerst heb je de tuin: daar ben je vrij om te kiezen welke planten je introduceert. Dan is er de openbare ruimte. Daar moet je wat voorzichtiger zijn. Je kunt er wel exoten gebruiken, maar geen invasieve soorten. Het is belangrijk om planten te kiezen die de inheemse flora en fauna niet verdringen. En tot slot is er de natuur. In natuurgebieden moet je niet moedwillig exoten aanplanten, dat is niet de bedoeling. Maar we mogen het plantenbestand niet als iets statisch beschouwen. Planten bewegen mee met de tijd en ruimte, dat is volkomen natuurlijk.”

Focus op de steden

Wie vandaag het verschil wil maken voor de biodiversiteit, kijkt het beste naar stedelijke omgevingen. Volgens van Gelderen liggen daar meer kansen dan op het platteland. “Het platteland is intussen een soort groene woestijn geworden voor insecten. Grote oppervlakten worden daar ingenomen door uniforme graslanden of akkers, waar telkens opnieuw dezelfde teelten opduiken. Toen ik in mijn jonge jaren ging wandelen in het Groene Hart in de polder, had je daar nog blauwgraslanden met allerlei bloemetjes erin. Nu is dat allemaal Engels raaigras geworden. Er staat geen bloemetje meer in, er is geen insect meer te vinden. Het is gewoon ‘grasfalt’ geworden, groen asfalt.”

Acer palmatum in combinatie met Japanse azalea’s in de tuinen van Wakehurst © Cor van Gelderen en Wouter van der Tol

“Toch is het verschrikkelijk moeilijk om een boer te overtuigen om zijn werkwijze te veranderen. Bioboeren met goede bedoelingen zijn er zeker ook, maar die andere boer, die gevangenzit in zijn productiedrang, die krijgen we heus niet van zijn Engels raaigras af. Als ontwerpers kunnen we het best een tegengewicht bieden op de plekken waar we wél controle hebben.”

In steden kan je met simpele ingrepen al veel impact maken. “Recent hielp ik iemand die een kantoor heeft op een industrieterrein aan de rand van Alphen aan den Rijn. Het is een utilitair gebouw met veel verharding eromheen. De gemeente heeft maar weinig budget voor onderhoud, dus het enige groen dat er te zien was, was een rijtje struikkamperfoelie. Veel beter zou het zijn om daar vijf boompjes te zetten en wat wilde wingerd langs de zuidelijke gevel te laten groeien. Dan wordt de omgeving meteen veel aantrekkelijker voor mens en dier. Door de wingerd koelt het gebouw af, en bijen en insecten komen op de bloemen af. We kozen vijf verschillende boompjes die elk op een ander moment in bloei staan. En het kostenplaatje hoeft helemaal niet de pan uit te swingen. Bij wijze van spreken kom je met duizend euro al een heel eind. Een kleine investering die het gebouw een flinke opwaardering geeft.”

Euphorbia en Arbutus in The Savill Garden, Windsor Great Park. © Cor van Gelderen en Wouter van der Tol

Wat gevelvergroening betreft, gaat de voorkeur van van Gelderen steevast uit naar zelfhechtende klimplanten. “Simpelweg omdat je dan geen klimconstructies hoeft te plaatsen”, klinkt het. “Dat scheelt alweer wat werk.” Er zijn niet zoveel soorten zelfhechtende klimplanten, en de meeste groeien relatief traag. Dus voor grote gevels kom je al snel uit bij klimop of wilde wingerd. “Echter hoef je niet altijd dezelfde variaties te gebruiken. Er bestaan wel honderd soorten klimop en dertig soorten wingerd. En als die eenmaal groeien, kun je ze perfect gebruiken als draagstructuur voor andere klimplanten. Zo laat je de natuur het werk doen en creëer je toch een mooi biodivers geheel.”

Planten met oog op de toekomst

Ook om hedendaagse problemen aan te pakken zoals een teveel aan fijnstof, extreme droogte en wateroverlast, ziet Cor van Gelderen de oplossing in de natuur.

“Bij de bestrijding van fijnstof zijn naaldbomen veruit de beste keuze voor tuinontwerpers. Misschien zijn ze niet hip of de eerste voorkeur van de klant, maar in deze context presteren ze vaak beter dan andere bomen. Bovendien zijn er zeker interessante plantencombinaties mogelijk met naaldbomen”, vertelt Cor. “Ooit kreeg ik de opdracht om een tuin te ontwerpen voor iemand die fan was van de Araucaria, ook wel de monkey puzzle tree of apenboom genoemd. Zelf vind ik het een lastige soort om te integreren in een tuin, vanwege zijn stekelige, statische vorm. Araucaria komt van nature voor in Zuid-Amerika, waar hij samen groeit met de Zuid-Amerikaanse schijnbeuk (Nothofagus). Die groeit juist heel rommelig en grillig. Eigenlijk is Nothofagus compleet het tegenovergestelde van de Araucaria, en precies daarom vullen ze elkaar visueel zo goed aan. Het überarchitectonische van de Araucaria wordt verzacht door de losse vorm van de Nothofagus. En het mooie is: zo staan ze in de natuur ook.”

Hortensiaborder in de privétuin van de familie Philips in Eindhoven. © Cor van Gelderen en Wouter van der Tol

“Wat wateroverlast betreft, is het belangrijk dat planten zowel natte als droge periodes kunnen verdragen. Door een wadi aan te leggen kan het water rustig in de bodem zakken, en dat biedt voordelen. Maar wanneer je een wadi aanlegt, moet je wel de juiste planten gebruiken. Op een industrieterrein in Lille zag ik wadi’s die al een tijdje droogstonden, en alle vochtminnende planten waren gestorven. Men had er alleen gedacht om soorten te gebruiken die tegen nat konden, maar niet aan het feit dat ze óók droogte moeten kunnen verdragen als het langere tijd niet regent. Voor een wadi moet je dus zoeken naar planten die in de natuur tegen nat en droog bestand zijn. Dat zijn er niet veel, maar ze bestaan wel. Schijnels (Clethra alnifolia) is daar een leuk struikje voor dat graag bezocht wordt door insecten. Plantenkennis is dus wel essentieel om zulke mislukkingen te voorkomen.”

Ooit begonnen als zonnige tuin toen de Luma chequen nog klein was. © Cor van Gelderen en Wouter van der Tol

“Plantenkennis gaat niet alleen over weten hoe een plant heet, maar vooral over begrijpen hoe een plant werkt, en waar en hoe je die het best kunt inzetten. Je moet aanvoelen waar een plant van houdt, waar hij zich goed voelt en hoe hij zich in de natuur gedraagt. Pas als je dat begrijpt, kun je die kennis echt vertalen naar het ontwerpvraagstuk dat je hebt. Pas dan kan je het concept van hypernatuur toepassen. Als tuinontwerper of -aannemer is het je taak om verder te kijken dan de boeken en vooral te leren door te observeren. Dat maakt wat je realiseert niet alleen effectiever, het maakt het werk ook gewoon veel leuker.”

“Planten dwingen je om te kijken, te begrijpen en geduld te hebben”, besluit Cor van Gelderen. “En precies daarin schuilt hun kracht, én die van een goede ontwerper.”


Tekst: Reine Driesen
Foto’s: Cor van Gelderen en Wouter van der Tol